De terugkeer van Czesław Miłosz (Nexus, 2002)

In het voorwoord bij het eerste deel van zijn verzamelde poëzie, verschenen in 2001, schrijft Czesław Miłosz: ‘Ik denk dat de gezondheid van de poëzie het streven is om zoveel van de werkelijkheid te vangen, als maar mogelijk is.’ De vraag wát de werkelijkheid is, beantwoordt Miłosz principieel niet, want wat verschillende filosofen ook mogen beweren: de wereld bestaat. Het leven is geen droom. De materiële en sociale wereld bestaan, naast de innerlijke, naast bewustzijn en herinnering, de wereld van de mens naast de natuur, het heden naast het verleden, het wereldse domein naast het goddelijke, de geest naast et lichaam. Men dient de namen voor het bestaande te vinden.

Vandaar dat zijn gedichten altijd naar een werkelijkheid buiten de tekst verwijzen en nooit hermetisch zijn, opgesloten in zichzelf. Vandaar ook hun grote visualiteit en concreetheid. Miłosz heeft respect voor de wereld van de zichtbare dingen, omdat ze ‘de bewonderenswaardige eigenschap van het zijn, ofwel esse bezitten,’ zoals hij in het hierboven geciteerde voorwoord zegt, ‘een respect dat mij is ingeprent door mijn katholieke opvoeding.’ Zijn poëzie is in hoge mate mimesis, nabootsing, herhaling van de wereld. Lees verder

10 maart 2016: Avond in de Fransche School Culemborg

zon

zon

Een bijzondere avond die in samenwerking met de Roos van Culemborg over een maand, op 10 maart 2016, in De Fransche School in Culemborg wordt gehouden. Op die dag herdenken we Gerard Rasch en zijn werk. De Poolse poëzie, de Bijbelvertaling, prachtige muziek en herinneringen aan Gerard staan op het programma. In de bijlage is het hele programma te vinden.

Wij hopen je te zien op 10 maart! Je aanwezigheid wordt ten zeerste op prijs gesteld. Laat weten of je kunt komen via deze link: bit.ly/10maart2016

Meer informatie:

Lees verder

Overleven in weerspannigheid, of Sarmaten, profeten en positivisten en hun contra’s Enige aspecten van de Poolse literatuurgeschiedenis

Lezing gehouden voor de Universiteit van Amsterdam, Geschiedenis, ter gelegenheid van een ‘Polen-reis’.

Een inleiding in de Poolse literatuur en de verbondenheid daarvan met de politieke en maatschappelijke context. Lees de tekst hier.

Lijst van besproken auteurs

Mikołaj Rej 1505-1569
Jan Kochanowski 1530-1584
Adam Mickiewicz 1798-1855
Juliusz Słowacki 1809-1849
Zygmunt Krasiński 1812-1859
Cyprian Kamil Norwid 1821-1883
Józef Ignacy Kraszewski 1812-1887
Eliza Orzeszkowa 1841-1910
Bolesław Prus 1847-1912
Henryk Sienkiewicz 1846-1916
Stefan Żeromski 1864-1925
Władysław Reymont 1867-1925
Stanisław Wyspiański 1869-1907
Stanisław Ignacy Witkiewicz 1885-1939
Bruno Schulz 1892-1942
Witold Gombrowicz 1904-1969
Czesław Miłosz 1911-[2004]
Tadeusz Różewicz 1921-[2014]
Tadeusz Borowski 1922-1950
Jerzy Andrzejewski 1909-1982
Zbigniew Herbert 1924-[1999]
Miron Białoszweski 1922-1982
Tadeusz Konwicki 1926-[2015]
Ryszard Kapuścinski 1932-[2007]
Christian Skrzyposzek 1944-[1999]

Nawoord bij Bruno Schulz, Verzameld werk, Meulenhoff, 1995

Bruno Schulz was de veertig reeds gepasseerd, toen hij schijnbaar bij toeval met de roman De kaneelwinkels zijn intrede in de Poolse literatuur deed. Hij veroverde er meteen een uitzonderlijke plaats: die van een rijp en volstrekt origineel auteur die, staand buiten alle actuele stromingen en komend uit een verre provincie, uit het niets, een geheel eigen wereld had geschapen, waar tijd en ruimte aan andere wetten gehoorzaamden, waar de materie voortdurend aan verandering onderhevig was, en waar begrippen als identiteit en individualiteit nog maar weinig betekenden.

Deze wereld omvat niet veel meer dan het huis en het provinciestadje van de verteller-auteur, zijn familie, in de eerste plaats zijn vader, en nog wat figuranten. Maar hoe afgezonderd en eigen ze ook is, ze bezit geen veilige grenzen en ligt volledig open voor alles wat haar omgeeft: de wisselende jaargetijden, het heelal met al zijn sterren, de nacht, de dag, licht, donker, storm, regen, hitte – de muren van zijn huis noch de grenzen van zijn lichaam bieden de mens enige bescherming. De geografie van deze ruimte is de geografie van een universum waar de grens tussen innerlijk en uiterlijk is opgeheven: het is de mythische, oermenselijke ruimte waarin de mens altijd verkeert, of hij nu waakt of slaapt. En hij is er alleen, van sociale interactie is nauwelijks sprake – het is een door eenzaamheid gegenereerd universum: ‘Eenzaamheid is de reagens die de werkelijkheid aan het gisten brengt en in een bezinksel van figuren en kleuren doet neerslaan.’ De mens is ontworteld, verlaten, bedreigd, weerloos.

Lees verder: Bruno Schulz (1892-1942) – Nawoord bij het Verzameld werk

Nawoord bij Czesław Miłosz, Het dal van de Issa, 1981

Op de vraag: ‘Ziet u verband tussen uw poëzie en uw romans?’ antwoordt Czesław Miłosz: ‘Mijn romans? Maar die zijn er niet! Die twee boeken fiction die ik geschreven heb kunnen toch geen romans worden genoemd?’ (Aleksander Fiut, Gesprekken met Czesław Miłosz, voorpublicatie in het Poolse tijdschrift Pismo, nr. 1, 1981). De twee boeken waarop Miłosz doelt zijn de politieke roman De verovering van de macht, die over de communistische machtsovername in Polen handelt, en Het dal van de Issa, beide in 1955 in Parijs uitgegeven. De eerstgenoemde roman, waarover hij de Prix Littéraire Européen kreeg, was in 1953 reeds in het Frans verschenen; het is een boek dat hij nu zeer laag aanslaat, het werd min of meer op bestelling geschreven. De tweede roman, vertelt hij in hetzelfde interview, is op het niveau van de feiten waarheidsgetrouw, autobiografisch, maar moet desalniettemin als fictie worden beschouwd: het materiaal is in een bij uitstek literaire vorm gegoten. Vanaf het begin is het duidelijk dat er hier een dichter aan het woord is die niet onder de dekmantel van de derde persoon de wereld van zijn kindertijd reconstrueert, maar eerder een wereld, met in het middelpunt een kind, schept. De jeugd van de hoofdpersoon, Tomasz Dilbin, komt trouwens slechts zeer gedeeltelijk overeen met de jeugd van de schrijver. Miłosz werd weliswaar daar geboren waar de romanhandeling is gesitueerd, maar bracht er slechts een klein deel van zijn bewuste leven door, de jaren 1918-1920, terwijl Tomasz zijn geboortegrond pas op bijna veertienjarige leeftijd voor het eerst verlaat.

Lees verder: Nawoord bij Czesław Miłosz, Het dal van de Issa, 1981

Tadeusz Konwicki, Maansopgangen en maansondergangen

Een aardig experiment: een schrijver gaat in januari aan zijn bureau zitten en begint te schrijven over alles wat zoal in hem opkomt, herinneringen, invallen en actuele gebeurtenissen, en eind december houdt hij op. Tadeusz Konwicki probeerde het voor het eerst in 1975, met als resultaat het boek Kalender en clepsydra, dat in 1976 furore maakte onder lezers. Het is één lange aaneenschakeling van anekdotes over collega’s, reisbelevenissen, impressies en humoristische beschouwingen over literatuur. Iedereen was verrast. Had Konwicki zijn epische ambities opgegeven? Was dit een plaagstoot naar de kritiek die steeds vaker begon te zeggen dat Konwicki zich herhaalde.

In 1981 wilde Konwicki het kunststukje van 1975 nog eens overdoen en gaf het de titel Maansopgangen en maansondergangen mee. Hij sloot het af op 13 december, de dag waarop de staat van beleg werd afgekondigd en er een eind kwam aan de legale activiteiten van Solidarność. Het schrijven gaat hem in 1981 beduidend minder vlot af dan in 1975 – hij klaagt er steen en been over – ook al hoeft hij dan niet aan de censuur te denken zoals zes jaar tevoren.

Lees verder: Nawoord bij Tadeusz Konwicki, Maansopgangen en maansondergangen

Zbigniew Herbert 1924-1998 – Nawoord bij de Verzamelde gedichten

In 1948 schreef een jonge dichter in een provinciaal Pools weekblad: ‘Het woord moet terugkeren naar zijn moederhaven, de betekenis. Dit is niet meer uitsluitend een esthetisch probleem, maar ook een moreel. Het noemen van menselijke dingen en menselijke zaken leidt tot hun begrip en beoordeling. Nu na de oorlog, na de zondvloed van leugens, overal de chaos van de begrippen heerst, moet de poëzie de morele wederopbouw van de wereld op zich nemen, door de wederopbouw van de waarde van het woord. We moeten opnieuw goed en kwaad, licht en donker van elkaar scheiden.’ ‘De morele wederopbouw van de wereld’ – is dat niet wat veel gevraagd van de poëzie? Blijkbaar niet in de Poolse literatuur die immers een lange geschiedenis van strijd tegen de onderdrukking van taal, cultuur en volk kent. Na de oorlog werd door velen om een nieuwe literatuur geroepen, die de nieuwe tijd zou vertolken en de ‘nieuwe mens’ vormen, met name door de communisten die de literatuur graag in dienst van de politiek zagen. In een andere aflevering van zijn rubriek die hij ‘Poëtica voor leken’ had gedoopt schreef deze onbekende – die in elk geval geen communist was – dat de kunst weliswaar niet verlost, maar ‘kan ze minder zijn dan verlossing, als ze een bindmiddel, misschien wel het belangrijkste, in de intermenselijke betrekkingen vormt?’ Dit voegt een bijna religieus element toe aan de opdracht van de poëzie. ‘De poëzie is een functie, een oermenselijke functie. Na vele omzwervingen bereikt ze haar doel en dan zal ze een gesprek van de ontroerde mens met zijn naaste zijn.’ Hoe ouderwets dit ook mag klinken, deze dichter wenst geen terugkeer tot oude clichés en stereotiepen: ‘De dichters scheppen een nieuwe taal die anders is dan de spreektaal. […] Van de brokstukken van de spreektaal vormt de poëzie nieuwe modellen, modellen van poëtische ervaringen en emoties.’

In 1950 zou de schrijver enige gedichten in de onafhankelijke katholieke pers publiceren, in 1954 zou hij een aanzienlijke bijdrage leveren aan een bloemlezing met jonge dichters, uitgegeven door een katholieke, niet rechtstreeks door de staat gecontroleerde uitgever (‘…elk ogenblik moet ik kiezen’). Hij wilde zich niet conformeren aan de heersende doctrine van het communisme en was in 1951 uit de schrijversbond gestapt, toen het regime leden en kandidaat-leden op hun loyaliteit begon te toetsen; hij studeerde en had allerlei baantjes, onder andere redacteur van een tijdschrift voor de handel, bankemployé, ontwerper van sanitair en verkoper. Pas in 1956, toen het politieke klimaat milder was geworden, zou hij zijn eerste bundel uitgeven. Zijn naam was Zbigniew Herbert, de titel van zijn debuut Een snaar van licht.

Lees verder: Nawoord bij de Verzamelde gedichten van Herbert

Bittere oogst. Aantekeningen bij het samenstellen van een bloemlezing

Hoe gaat de bloemlezer te werk? Bittere oogst is de bloemlezing met Poolse poëzie uit de twintigste eeuw die Gerard Rasch met geld van de Nihoff-prijs samenstelde. In een artikel voor TSL gaat hij in op zijn overwegingen. Veel dichters opnemen met een gedicht of twee, of liever weinig namen die uitgebreid geïntroduceerd worden? Hoe bepaal je de volgorde – op het jaar van debuteren of liever per generatie? En zijn alle dichters wel even geschikt om in het Nederlands vertaald te worden?

Lees verder: Bittere oogst. Aantekeningen bij het samenstellen van een bloemlezing

De Poolse wrong: korte geschiedenis van de Poolse poëzie

‘Pools’ betekent volgens Van Dale ook: vreemd, onordelijk, ruw; een ‘Poolse landdag’ (waar het ‘Pools toegaat’) is een rommelige en rumoerige vergadering; ‘zat als een Pool’ is zéér zat; een ‘Poolse vlecht’ is een door luizen vervuilde, viltige haardos. Deze minder vleiende betekenissen zijn afkomstig uit de 18e eeuw, de vervalperiode van het ooit zo machtige Polen en zijn eigen ideologie, het sarmatisme. Het sarmatisme (naar de Sarmaten, volgens de oude geschiedschrijvers de oorsponkelijke Slaven die het gebied bewoonden dat later Polen kwam te heten) behelsde de overtuiging dat de Polen, en dan vooral de kleine en middelgrote adel, de ware Slaven waren. Ze verzetten zich tegen invloeden uit het Westen, de steden en de macht van de kosmopolitische grootadel. En ze voerden als katholieken voortdurend oorlog met hun buren, de protestantse Zweden, de orthodoxe Russen en de mohammedaanse Turken.

Lees verder: De Poolse wrong