Tagarchief: Bruno Schulz

Nawoord bij Bruno Schulz, Verzameld werk, Meulenhoff, 1995

Bruno Schulz was de veertig reeds gepasseerd, toen hij schijnbaar bij toeval met de roman De kaneelwinkels zijn intrede in de Poolse literatuur deed. Hij veroverde er meteen een uitzonderlijke plaats: die van een rijp en volstrekt origineel auteur die, staand buiten alle actuele stromingen en komend uit een verre provincie, uit het niets, een geheel eigen wereld had geschapen, waar tijd en ruimte aan andere wetten gehoorzaamden, waar de materie voortdurend aan verandering onderhevig was, en waar begrippen als identiteit en individualiteit nog maar weinig betekenden.

Deze wereld omvat niet veel meer dan het huis en het provinciestadje van de verteller-auteur, zijn familie, in de eerste plaats zijn vader, en nog wat figuranten. Maar hoe afgezonderd en eigen ze ook is, ze bezit geen veilige grenzen en ligt volledig open voor alles wat haar omgeeft: de wisselende jaargetijden, het heelal met al zijn sterren, de nacht, de dag, licht, donker, storm, regen, hitte – de muren van zijn huis noch de grenzen van zijn lichaam bieden de mens enige bescherming. De geografie van deze ruimte is de geografie van een universum waar de grens tussen innerlijk en uiterlijk is opgeheven: het is de mythische, oermenselijke ruimte waarin de mens altijd verkeert, of hij nu waakt of slaapt. En hij is er alleen, van sociale interactie is nauwelijks sprake – het is een door eenzaamheid gegenereerd universum: ‘Eenzaamheid is de reagens die de werkelijkheid aan het gisten brengt en in een bezinksel van figuren en kleuren doet neerslaan.’ De mens is ontworteld, verlaten, bedreigd, weerloos.

Lees verder: Bruno Schulz (1892-1942) – Nawoord bij het Verzameld werk

Vertalen in tijden van liefde. Dankwoord Martinus Nijhoff Prijs

Op een dag in juni vroeg ik me hardop af: ‘Zou mijn huisbaas me persoonlijk feliciteren, als ik de Nijhoff-prijs kreeg?’ Een relevante vraag, want mijn huisbaas is een beetje snobistisch. Een irrelevante vraag, want ik dacht dit jaar helemaal niet aan de Nijhoff-prijs. En twee dagen later opende ik slechts lichtelijk nieuwsgierig de envelop van het Prins Bernhard Fonds. Wat ik het eerst waarnam van de inhoud, was het getal 100.000, en ik begreep. Ik geloofde mijn ogen direct. Een dag later won ik in de giroloterij voor het eerst honderd gulden en stelde mijn verzekeringsmaatschappij me nog eens een premierestitutie ten bedrage van ƒ11,34 in het vooruitzicht. Het was dus een goede week. Geluk komt zelden alleen.

Lees de tekst van een rede uitgesproken in de Amstelkerk op 5 november voor een kring van collega’s en andere belangstellenden: Vertalen in tijden van liefde.